15 jaar The Innercity Project tegen de achtergrond van een veranderende samenleving

juni 2009

The Innercity Project (TIP) ontstond begin jaren ’90 als onverwacht uitvloeisel van een evangelisatieactie vanuit een tent bij het Zuidplein. Later werd in de Millinxbuurt, toen één van de slechtste buurten van Rotterdam, vanuit een klein pandje gewerkt onder kwetsbare mensen. Rotterdam was een arme en verloederde stad. De bezuinigingen en herstructurering van de verzorgingsstaat eiste zeker in Rotterdam zijn tol, ook al werd er hard gewerkt aan de stadsvernieuwing en de sociale vernieuwing van de stad. Opzoomeren zag in 1994 bijvoorbeeld het licht.

De problematiek van drugsoverlast, (kleine) criminaliteit en een groot aantal dak- en thuislozen was groot. Maar men vond eigenlijk dat die overlast bij de grote stad hoorde en drugsverslaafden kon je hoogstens een beetje reguleren. De stad kende mede door het vage en vrije vreemdelingenbeleid grote aantallen illegale vreemdelingen. Perron Nul en de Pauluskerk trokken mensen uit heel Nederland aan en de drugshandel mensen uit heel Noordwest-Europa. Ook de Keileweg trekt veel triest en onguur volk. In Spangen pikten de bewoners het niet meer en kwamen onder leiding van Annie Verdoold in opstand. Ook de situatie rond het pandje van TIP wordt onhoudbaar en men verhuist naar Delfshaven, de Mathenesserweg waar men gebruik kan maken van De Brug, opgezet vanuit de Oude Kerk van Delfshaven (NH, nu PKN). De kerken worden steeds meer terug gedrongen uit de oude wijken, ze zijn er nauwelijks meer present. Ook ontbreekt de moed en de vrijmoedigheid om werkelijk in de frontlinie te staan, vele kerkgangers zijn terneergeslagen vanwege de als maar doorgaande geloofsafval en secularisatie.

Rond 2000 werd voorzichtig de aanval ingezet tegen de verloedering, maar het was nog erg zoeken, elke omslag in denken en handelen heeft nu eenmaal zijn tijd nodig. De geesten moeten er ook rijp voor zijn. Perron Nul werd gesloten en verslaafden en dak- en thuislozen verspreidden zich over de hele stad. Voorzieningen waren er veel te weinig en zodra er een poging gedaan werd om ergens een voorziening te openen was er veel weerstand vanuit de buurt. In 2001 wordt onder burgemeester Peper het eerste Vijfjarenprogramma Veiligheid vastgesteld.

In 2002 slaat Pim Fortuijn toe met als gevolg een politieke en maatschappelijke aardverschuiving. Ook Balkenendes pleidooi voor herstel van waarden en normen slaat aan. Zowel in Rotterdam als in het land komen er bestuurders aan de macht die de verloedering willen stoppen. Ook het vreemdelingenbeleid wordt fors aangescherpt. De sfeer verandert flink, opeens wordt je geacht vooral te zeggen wat je denkt en vooral geen rekening met elkaars gevoeligheden te houden. De persoonsgerichte aanpak van de 750 meest overlastgevende verslaafden (PGA750) krijgt topprioriteit en Rotterdam voert een Veiligheidsindex in. Bedelen, wildplassen en andere overlastgevende verschijnselen in relatie tot dak- en thuislozen worden hard aangepakt. TIP medewerkers worden, in diverse buurten, als zij in gesprek zijn met verslaafden aangesproken op “samenscholing”. Reden om na te denken over andere manieren om de mensen te blijven ontmoeten zonder de politie in de weg te lopen en “overlast” te veroorzaken. Het idee van de aanschaf van een eigen busje ontstaat. De Keileweg wordt in 2005 gesloten, de 200 geregistreerde prostituees worden voor 2/3 opgevangen in nieuwe woonvoorzieningen. De rest verdwijnt de stad uit of blijft toch op straat rond hangen. Min of meer parallel hieraan is de veranderende kijk op de kwetsbare, hulpbehoevende mens. Na de jaren ’60 stond steeds meer de autonome mens centraal, die zelf het beschikkingsrecht over zijn leven heeft (abortus, euthanasie, afschaffing Krankzinnigenwet, instemmingsrecht van kinderen). Dat bemoeilijkte het ingrijpen in het leven van mensen die niet of beperkt zelfredzaam zijn, en ook zorgmijders. De laatste jaren zie je dat de overheid niet meer onverschillig de andere kant op kijkt maar mensen weer tegen zich zelf gaat beschermen. Privacybescherming en het zelfbeschikkingsrecht worden als minder belangrijk gezien, huisbezoek, interventieteam en bemoeizorg worden ingevoerd.

Januari 2006 sluit het kabinet Balkenende III een akkoord met de vier grote steden over de aanpak van het probleem van de dak- en thuislozen. Er komt veel geld beschikbaar en de gemeenten zeggen toe meer aan preventie te zullen gaan doen en de opvangvoorzieningen stevig uit te zullen breiden. Voor Rotterdam is de doelstelling dat in 2010, 2900 daklozen (van de naar schatting 4000-5000) zijn voorzien van een zorgplan en dat 60% daarvan ook gehuisvest is en de zorg krijgt die nodig is. Dat betekent dat voor 1740 mensen een plek in de opvang of in een zorginstelling moet komen. Daarvoor zijn nieuwe locaties nodig waar kleine woongroepen kunnen worden gevormd. De bewoners worden begeleid, afhankelijk van de behoefte. Voor mensen die klaar zijn om zelfstandig te gaan wonen, wordt een woonruimte gezocht waar nog regelmatig ‘zorg aan huis’ wordt geboden. In 2010 moeten er ongeveer 700 woningen voor dak en thuislozen in Rotterdam beschikbaar zijn. Een van de belangrijkste veranderingen is de manier waarop daklozen worden opgevangen en geholpen. Dat gebeurde in het verleden vooral in grootschalige opvangcentra. Die opvang is nu kleinschaliger en meer persoonsgericht. Hiervoor worden de komende jaren 400 woningen en 30 woonvoorzieningen gerealiseerd. Grotendeels in Rotterdam en voor een deel ook daarbuiten.

Ondanks dit grootse plan blijven er signalen komen dat er nog steeds mensen op straat leven, met name illegalen en mensen uit Midden- en Oost-Europa. Zij hebben geen toegang tot de voorzieningen, want daarvoor is registratie bij Centraal Onthaal nodig en dat lukt alleen met een verblijfstitel en als je een binding met de regio hebt. Daarnaast blijkt dat met een dak boven het hoofd de problemen nog niet opgelost zijn. Het opbouwen van sociale netwerken blijkt een taaie kwestie en hierop samen doorwerken is voor de zorgverleners niet altijd mogelijk.

In 2006 wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning ingevoerd waarin de Welzijnswet en delen van de AWBZ opgaan. De wet heeft als centrale motto: Niet leunen (op de overheid), maar steunen (door de overheid). Minder beroep doen op professionele hulp- en dienstverlening en meer op vrijwilligerswerk en informele netwerken. De burger heeft geen recht meer op basis van een verzekering maar de gemeente krijgt een inspanningsverplichting t.a.v. de burger. Een hele omslag in het denken die eigenlijk parallel loopt aan de ontwikkelingen in de sociale zekerheid van de laatste 25 jaar. Dit is een zorgelijke maar ook kansrijke ontwikkeling voor christelijke organisaties en kerken. Kerken die langzaam aan weer een beetje lef beginnen te krijgen, het doemdenken voorbij en zich veel meer naar buiten aan het richten zijn. Er komt ook langzaam aan meer waardering vanuit de samenleving en overheid voor de rol van kerken, bijvoorbeeld de meer dan 100 migrantenkerken die Rotterdam rijk is. Bovendien hebben de evangelische kerken (in ruime zin) ook meer de neiging om de buitenwereld op te zoeken. Hun groei werkt aanstekelijk. Het werk van Youth for Christ wordt alom gewaardeerd en past dus ook in deze ontwikkeling.

Vanaf 2007 komt ook het probleem van de eenzaamheid, het sociaal isolement steeds meer op de agenda. Er zijn raakvlakken met de thuisloosheid. Veel bezoekers van TIP behoren onder andere tot deze groep. TIP krijgt in 2008 ook voor het eerst de beschikking over een bus om effectiever outreachend te werken. Half mei 2009 wordt de bus van TIP weggestuurd door de politie bij het Rode Zand, blijkbaar vindt men de aanwezigheid van deze outcasts op die plek niet gewenst. De bus zou een aanzuigende werking hebben!?
Voor TIP reden om ook hier weer creatief mee om te gaan en ons niet van de wijs te laten brengen.